Historie WSV Brielle

1400 – 2016 Van zeehaven tot recreatiehaven De haven van de vereniging, in Brielle beter bekend als 'De Molenhaven' was vroeger (± 1400 – 1600) de ingang van de Brielse Buitenhaven. Deze ingang was eigenlijk niets anders dan de uitmonding van het riviertje 'De Goote’ in de Maas. Langs de dijk, die liep van de haveningang tot aan Brielle, stonden pakhuizen en scheepswerven. Dit was de weg die de Watergeuzen moesten nemen om bij de ‘Noordpoort’ te komen. Nu loopt langs deze zelfde dijk (de Oosterlandsedijk) de weg van de wijk Meeuwenoord naar onze haven. kaart_brielle Omstreeks 1600 was de oude Buitenhaven zo ondiep geworden dat een nieuwe verbinding naar de Maas noodzakelijk werd. Deze verbinding kwam er in 1607 (de huidige Buitenhaven). De oude Noordpoort kon nu geen dienst meer doen. Op het Maarland werd daarom een nieuwe poort en het bijbehorende huis, Het Waterpoorthuis, gebouwd. Achter in de haven stond een eigenaardig geval, een stenen bouwsel met wat ijzerconstructies. Het was nogal vervallen en zag er erg oud uit. Dat bleek het ook te zijn. Volgens de gevelsteen die er aan de zeezijde was ingemetseld was het een uitwateringssluis uit het jaar 1761. De werking van een dergelijke sluis berust op het natuurverschijnsel van eb en vloed. De sluisdeuren, die alleen maar naar de zeezijde konden openzwaaien, worden door hoogwater dicht gedrukt en bij laagwater door het polderwater open gedrukt. Alleen bij laagwater konden de polders hun overtollig water kwijt. Op de gevelsteen stond: “De eerste steen van deze sluis werd gelegd door Jan Sandifoort, soon van de fabryck Sandifort, den 27 juli 1761”. (Een fabryck was een directeur van gemeente werken). Aanleiding tot de bouw van genoemde sluis en een daarbij behorende windwatermolen was de wateroverlast in de polders op westelijk Voorne. De capaciteit van de bestaande uitwatering was te gering om het hemelwater af te voeren. Menigmaal stonden de gewassen te verrotten op het veld. Zelfs de wintertarwe kon soms ternauwernood worden geoogst. De boeren die daardoor in financiële moeilijkheden kwamen, hebben door middel van rekesten aan het provinciaal bestuur in Den Haag geprobeerd belastingvermindering te krijgen. Wij met onze 21e eeuwse ervaring op dit gebied kunnen ons nauwelijks voorstellen dat dit geholpen zal hebben. De boeren deden echter meer. Het toenmalige polderbestuur besloot “zonder gedelibereer” te gaan bouwen een sluis en drie heulen in de singels. Het werk werd aanbesteed in de Brielse Herberg ‘de Prins van Orange’ voor de somma van 28.774 guldens, 17 stuivers en 8 penningen (€ 13.080,00). Toen de boeren dit deden kwam ook Den Haag over de brug. Zij subsidieerden deze grootse waterwerken met 12.000 gulden (€ 5.455,00). Deze waterlozing heeft echter nimmer geheel voldaan, dat wil zeggen in technisch opzicht wel, er kon wel polderwater worden geloosd maar er is eindeloos geharreward en geruzied over wiens water, van welke polder er nu door de sluis zou stromen. Dat gekissebis heeft 130 jaar geduurd. Toen werd het stoomgemaal De Noordsluis gebouwd (thans woonhuis). Van de oude windwatermolen is niets meer over, een steen met inscripties staat in het Tromp-museum. Den Briel en het water zijn in de loop van de eeuwen onafscheidelijk met elkaar verbonden geweest en dankzij de watersport zal dat blijven voortduren. Den Briel wereldhaven voor koopmanschap en vissersschuit. In 1572 werd door een noordwesterstorm een stelletje vrijbuiters Het Brielse Gat ingedreven. Coppelstock en Lumey maakten historie en Den Briel Geuzenstad! De zeehaven ging door verzanding verloren, maar kwam meer en meer als watersportstad in de belangstelling. Toen de afdamming in augustus 1950 een feit werd en ook de Botlek was gedicht ontstond langzamerhand het Brielse Meer als recreatiegebied. In 1952 organiseerde de plaatselijke VVV van Den Briel in overleg met Burgemeester en Wethouders en de W.V. Schieland de eerste Brielle Stertocht. Dit groeide uit tot een nationale manifestatie die jaarlijks plaats vond In het VVV- bestuur gingen stemmen op om tot een eigen Brielse Zeilvereniging te komen en te streven naar een eigen jachthaven voor deze vereniging. Dit streven werd kracht bijgezet door de in 1957 in het leven geroepen Sportraad, zijnde een adviesraad tussen het Gemeentebestuur en de verschillende Brielse verenigingen. In de zomer van 1959 besloten de heren Haaksman en Gelms een zeilvereniging op te richten. Op 10 oktober 1959 werd dit een feit. Met de ledenwerving werd begonnen om door contributies de gelden bijeen te krijgen voor een Koninklijke goedkeuring. In de jaren 1960 en 1961 werden onderlinge wedstrijden gehouden en gezamenlijke zeiltochten georganiseerd. Naast voorzitter Haaksman en genoemde heer Gelms waren leden van het eerste uur o.a. de heren Zoetemeijer, van Delden, Nobel, Euwe, Leenderts, Reyngoud, Broersen, de Weerdt, Kortenbout, de Jong, Geldof, J.H. Molenaar en Mulder. Veel besprekingen werden gevoerd met Burgemeester en Wethouders om een eigen jachthaven te verkrijgen. Er werd een plek bestemd in de zgn. Prikkevest maar de plannen werden door Gedeputeerde Staten niet goedgekeurd. Nadien zou de vereniging een gedeelte van de te graven 2e jachthaven toegewezen krijgen maar deze plannen gingen echter de ijskast in. Het voorzitterschap van de vereniging werd in 1963 in handen gelegd van de heer Euwe die met zijn bestuur ijverde om aan het gewenste doel, een eigen onderkomen, te geraken. Op 14 februari 1963 werd de Koninklijke Goedkeuring verkregen. Het bleef echter vechten tegen de bierkaai zodat de vereniging enigszins op dood spoor kwam. In 1966 werd de voorzittershamer in handen gelegd van de heer van Putten, met als secretaris de heer J.H. Molenaar. Penningmeester de heer Geldof en de heren Mulder en de Lange als lid. Dit voorlopige bestuur had als eerste doel te laten horen en zien dat de vereniging nog bestond. De propaganda actie begon door mee te rijden in een feestelijke stoet bij het huwelijk van Prinses Beatrix. Op 3 en 17 juli 1966 werden vanaf de Oude Veerstoep op het Oude Hoofd zeilwedstrijden gehouden. De burgemeester toonde belangstelling en hem werd onmiddellijk gevraagd het eerste startsein te geven. Er waren meer dan 100 deelnemers in twee wedstrijden. In het Oude Veerhuis vond de prijsuitreiking plaats. Samenwerking werd gezocht en gekregen met de WSV Rozenburg, Nautica en Oostvoorne. De activiteiten leverden 20 nieuwe leden op. Het voorlopige bestuur had niet zonder reden de overtuiging gekregen dat de gemeente haar medewerking nu niet kon ontzeggen. Het gaf dit bestuur de kracht om op de ingeslagen weg door te gaan. Op 28 oktober 1966 werd het voorlopige bestuur omgezet in een definitief bestuur bestaande uit de heren van Putten, de Lange, Mulder, J.H. Molenaar, de Haan en Bij. Het eerste clubblad was inmiddels verschenen. Op 14 maart 1967 besloot de Gemeenteraad eindelijk het Moolenhaventje en het aangrenzende terrein aan onze vereniging ter beschikking te stellen. Belangrijk was bij deze beschikking het contract dat in 1963 was vastgelegd dat de vereniging een plaats zou krijgen in de zo genaamde 2e jachthaven. Voor het graven van de haven werd aan de heer de Bruine zijn medewerking gevraagd en dat resulteerde in drie plannen, waarvan in grote lijnen de huidige haven werd gekozen. 1966 haven 03 Op 14 november 1967 werd het graven aanbesteed voor de prijs van 73.560 gulden (€ 33.440,00) aan de firma Kraaijeveld te Barendrecht. De haven werd opgeleverd in februari 1968 en daarna door veel eigen werkzaamheden afgewerkt. Op zaterdag 24 augustus 1968 werd de jachthaven officieel door de heer van Es, burgemeester van Brielle geopend. 1968 opening haven 01 Alle nieuwbouw, van clubhuis, steigers tot hellingbaan zijn in de loop der jaren grotendeels door de leden in zelfwerkzaamheid gerealiseerd en volledig zelf gefinancierd. De vereniging is begonnen met een bestuur en 25 betalende leden. Op 1 januari 2016 zijn er, inclusief de jeugd, 100 leden en 11 donateurs die gezamenlijk gebruik maken van 89 ligplaatsen in het water en 50 plaatsen op de kant. De vereniging beschikt over een ruime afgesloten parkeerplaats die 's winters gebruikt wordt voor de winterstalling waarvoor de boten, zo nodig met staande mast, met een hydraulische hellingwagen horizontaal het water uit gehaald worden.